Een werknemer die al een WGA-uitkering ontvangt en opnieuw 104 weken arbeidsongeschikt raakt, krijgt geen tweede WIA-uitkering. Dat is in de praktijk bekend. Minder bekend is dat deze tweede ziekteperiode wél invloed kan hebben op de hoogte van de lopende uitkering.
In sommige situaties leidt een zogenoemd fictief recht op een loongerelateerde uitkering tot een hogere vervolguitkering. Dit wordt ook wel de garantie-uitkering genoemd. In onze praktijk zien wij dat dit regelmatig over het hoofd wordt gezien, terwijl het financieel aanzienlijk verschil kan maken.
Waarom ontstaat er geen tweede WIA-uitkering na een nieuwe ziekteperiode?
De Wet WIA bevat in artikel 43 een uitsluitingsgrond. Wanneer al eerder een recht op een WGA-uitkering is ontstaan, kan bij een latere uitval geen tweede zelfstandig recht op een WGA-uitkering ontstaan.
Dat betekent dat na een nieuwe periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid geen nieuwe loongerelateerde WGA-uitkering wordt toegekend. Voor veel werknemers voelt dat onlogisch, zeker wanneer de gezondheidssituatie aantoonbaar is verslechterd.
Toch stopt de beoordeling daar niet.
Wat is een fictieve loongerelateerde uitkering?
Na afloop van de tweede wachttijd moet het UWV beoordelen of de werknemer, los van de uitsluitingsgrond, recht zou hebben gehad op een loongerelateerde uitkering. Dat is een theoretische of fictieve toets.
In onze praktijk zien wij dat dit onderzoek door het UWV soms summier wordt uitgevoerd. Toch is deze stap juridisch van groot belang. Als uit de beoordeling volgt dat een loongerelateerde uitkering zou zijn ontstaan, kan dat effect hebben op de hoogte van de lopende uitkering.
Dit speelt bijvoorbeeld bij een werknemer die eerder werkte binnen zijn belastbaarheid, recht had op een loonaanvullingsuitkering 35-80 procent en later opnieuw volledig uitvalt.
Hoe werkt de garantie-uitkering bij een lagere vervolguitkering?
Stel dat de werknemer na de herbeoordeling niet meer voldoet aan de inkomenseis. In dat geval ontstaat recht op een vervolguitkering. De vervolguitkering is doorgaans lager dan een loongerelateerde uitkering.
Als uit de fictieve beoordeling blijkt dat een loongerelateerde uitkering hoger zou zijn geweest dan de vervolguitkering, dan biedt de wet een correctiemechanisme. Op grond van artikel 61 lid 9 en artikel 62 lid 5 Wet WIA wordt de lopende loonaanvullingsuitkering of vervolguitkering verhoogd tot het niveau van de fictieve loongerelateerde uitkering.
Met andere woorden: de werknemer krijgt geen tweede WIA-recht, maar ontvangt tijdelijk een hogere uitkering ter hoogte van de loongerelateerde uitkering die anders zou zijn ontstaan.
Dit geldt voor de duur die de loongerelateerde uitkering zou hebben gehad. Daarna loopt de oorspronkelijke loonaanvullingsuitkering of vervolguitkering weer door.
Wat betekent dit financieel in de praktijk?
Het verschil tussen een vervolguitkering en een loongerelateerde uitkering kan aanzienlijk zijn. De vervolguitkering is gebaseerd op een percentage van het minimumloon, terwijl een loongerelateerde uitkering wordt berekend op basis van het (oude) loon.
Wat veel mensen niet weten is dat dit in concrete gevallen kan leiden tot honderden euro’s verschil per maand. Zeker bij werknemers met een hoger dagloon kan het financiële effect groot zijn.
In onze praktijk zien wij dat werknemers hierdoor soms onnodig inkomen mislopen, omdat de garantie-uitkering niet wordt herkend of niet correct wordt toegepast.
Waar gaat het in de praktijk vaak mis?
Het knelpunt zit meestal in de beoordeling na de tweede wachttijd. Soms wordt onvoldoende onderzocht of er daadwerkelijk een fictief recht op een loongerelateerde uitkering zou zijn ontstaan. Ook zien wij dat niet altijd correct wordt gekeken naar de hoogte en duur van die fictieve uitkering.
Daarnaast ontstaat verwarring wanneer de werknemer gedeeltelijk arbeidsongeschikt blijft voor het oorspronkelijke WIA-recht, maar volledig uitvalt in de nieuwe situatie. De samenloop van beide beoordelingen vraagt om een zorgvuldige analyse van het arbeidsdeskundig en medisch oordeel.
Voor werkgevers kan dit eveneens relevant zijn. Een hogere uitkering kan invloed hebben op de premielasten, zeker wanneer sprake is van eigenrisicodragerschap of toerekening via de Werkhervattingskas.
Wanneer is bezwaar tegen het UWV zinvol?
Bezwaar kan zinvol zijn wanneer het UWV nalaat te toetsen of een fictieve loongerelateerde uitkering zou zijn ontstaan, of wanneer de hoogte daarvan onjuist is berekend.
Ook wanneer de duur van de garantie-uitkering onjuist wordt vastgesteld, kan dit financiële gevolgen hebben die niet direct zichtbaar zijn. In dit soort dossiers beoordelen wij altijd of het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en of de wettelijke bepalingen correct zijn toegepast.
SV-specialisten staat zowel werknemers als werkgevers bij in WIA-procedures, waaronder dossiers over WGA, loonaanvulling, vervolguitkering en garantie-uitkeringen. Wij beoordelen inhoudelijk of procederen in een specifieke situatie zinvol is en welke financiële effecten dat kan hebben.
Twijfelt u of bij een tweede ziekteperiode correct is gekeken naar een fictieve loongerelateerde uitkering en de garantie-uitkering?
Laat uw dossier beoordelen. Neem contact met ons op voor een inhoudelijke analyse van uw uitkeringssituatie en de mogelijkheden voor bezwaar of beroep.






